Oude Abdij Kortenberg

 

 

Verkenningen van abdij zijn vandaag

 

1. Eenvoud vinden in de veelheid.

Elke abdij is een plaats waar mensen die zich monniken noemen dezelfde ruimte delen en zich gedragen weten in hun streven om in alle een-voud te komen tot ‘echt leven’. Wat dat is ‘echt leven’ is voor iedereen anders en door niemand anders te bepalen. Wel heeft het te maken met zich niet laten meeslepen door de logica, de wanen en de oppervlakkige, hebberige kant van het leven. Het heeft eerder te maken met een restloos en compromisloos uitbouwen van het eigen leven vanuit één kern, een midden.

2. In de wereld maar niet van de wereld.

In alle levens doen zich situaties van verlorenheid, niet meer weten en onzekerheid voor. Een leven dat dus met momenten aanvoelt als ‘uit verbinding’. Verbinding is een cruciaal aanvoelen. Uit verbinding is gewoon biologisch niet te leven en in een aanvoelen alle verbinding kwijt te zijn is ook niet lang te leven. Op zulke momenten zoekt men dan nieuwe verbindingen. En op dit punt is het spirituele motto ‘in de wereld maar niet van de wereld’ het duidelijkst waar te nemen. Als alle verbindingen weg zijn en er naar nieuwe gezocht en verlangd wordt, komt het onderscheid tussen echt en vals meeklinken.

Abdijen zijn oorden waar echte en valse verbindingen onderzocht worden. Monnik-zijn vraagt een breuk met de valse logica’s. De traditionele term hiervoor is ‘vermorzeling van het hart’. De tweede stap is na de breuk voelen hoe de eigen inwendige dynamiek het hart en hoofd opnieuw overneemt. Vreugde, tevredenheid, dankbaarheid ademen dan weer volop mee. De eerste stap is een gedurfde keuze, de tweede stap is eerder een gebeuren dat zich voltrekt en dat een open houding van voortdurende waakzaamheid vraagt.

3. Zijn en doen zetten zich af tegen hebben.

Traditioneel is het ‘doen’ aan de kant van het ‘hebben’ gesukkeld en zo mee voor de monnik en moniale in het verdomhoekje. Het ideaal is de mediterende, rust uitstralende verlichte wijze mens die alle hebben en doen achter zich heeft gelaten. Dit ideaal blijft wel maar het doen is herontdekt of uit de sfeer van het ‘hebben’ gehaald. Aristoteles wist dit al. Wie wil weten wat goedheid, mededogen, en uiteindelijk alle deugden … zijn, kan dit vooral te weten komen door die dingen te doen. Het is vaak in het doen dat het zijn zich laat wezen. Het doen is voor het zijn haar ontplooiingskans, terwijl de contemplatie voor het zijn haar voelkans is. De Duitse mysticus Eckhart kiest zelfs radicaal voor het doen. Hij kiest voor de zorgende en werkende Marta en niet voor de zittende en mediterende luisterende Maria. Marta heeft het mediterende niet meer nodig maar kan het ‘zijn’ meenemen in haar doen.

4. Stilte als de witruimte van het leven.

Stilte is ‘in’. ‘In’ en vooral apart gezet in afgebakende gebieden, in van de drukke wereld afgeschermde projecten. Men moet er naartoe, naar plaatsen waar het stil is. Ook in de tijd moet men er naartoe. Men moet er naar terug, naar de stilte van het begin, voorbij het woord. In den beginne was de stilte.

Het woord ‘stilte’ uitspreken is haar ook meteen vernietigen. Praten over stilte is haar tegelijkertijd verraden. Stilte praat niet, getuigt niet, insinueert niet. Stilte is niet te begrijpen, grijpt niet, verdedigt zich niet, legitimeert zich niet.

Stilte is de witruimte van het leven waarop spreken, lawaai, beweging, rust, nederigheid (de dingen ongemerkt in stilte doen) mogelijk zijn. Zoals een wit blad zwarte tekens als letters laat oplichten. Zo is stilte de dragende grond waarop we praten, druk doen, lawaai maken. De witruimte trilt mee in alle dingen die we doen en zeggen. Stilte is dus niet elders te zoeken maar in ons praten en doen.

5. Dragende aarde.

Een Griekse mythologische wijsheid van eeuwen geleden zei al een waarheid zo vergeten als een koe: dat de mens moet leren inzien welk ritmisch verband hem/haar draagt. En veel eeuwen later is dat voornamelijk nog altijd de aarde en de ander. Het is te evident en we walsen er te vaak overheen over datgene wat de mens werkelijk draagt. Als het niet in eigen bezit is, dan moet er niet voor gezorgd worden. “onnozelen, wanneer wordt gij wijzer” (psalm 94,8) Die ‘onnozelen’ slaat op het niet hebben van het besef dat alles wat buiten de categorie eigendom valt, zoals aarde, de ander, lucht, water de werkelijke dragers zijn van alles wat ademt.